Oekraïne: Marteling en verdwijning aan beide zijden van het front

In mei dit jaar braken VN-onderzoekers onverwachts een bezoek aan Oekraïne af. De Oekraïense autoriteiten weigerden toegang te geven tot verschillende plekken waar mensen mogelijk illegaal werden vastgehouden en gemarteld. Kort daarvoor hadden andere VN-onderzoekers tevergeefs geprobeerd om gevangenissen in de door separatisten beheerde gebieden rond Donetsk en Loehansk te bezoeken. Amnesty en Human Rights Watch leggen in een nieuw rapport de verhalen bloot van de mensen in die zo angstvallig geheim gehouden kelders en cellen. Daar werden zij gevangen gehouden en gemarteld – vaak zonder proces of dat zelfs hun familie op de hoogte werd gesteld.

Door: Christie Miedema, regiomedewerker Oost-Europa bij Amnesty Nederland.

Twee pro-Russische seperatisten houden een man aan in Oost-Oekraine. © VASILY MAXIMOV/AFP/Getty Images

“Vadim” kan erover meepraten. Vadim vertelt ons niet zijn echte naam, en terecht, want hij heeft genoeg te vrezen. Als makelaar uit Donetsk heeft hij ook zaken in de zogenaamde volksrepubliek, maar ook in naburige gebieden, waar het Oekraïense leger het voor het zeggen heeft. Toen hij op een dag in april 2015 terugreisde naar huis werd hij uit de bus gehaald. Hij werd meegenomen naar een kelder en geslagen en gemarteld. Zijn ondervragers wilden alles weten over een kennis van hem die bij de inlichtingendienst van de separatisten werkt. Ook vroegen ze honderduit over zijn klanten in door Oekraïne beheerst gebied, die ook direct verdacht waren. Na zes weken legde Vadim een gedwongen getuigenis af en werd hij vervolgens langs de kant van de weg achtergelaten, zonder dat er een rechter of rechtbank aan te pas kwam.

Gevangen en gemarteld aan de andere kant

Na zijn vrijlating was Vadims beproeving niet voorbij. Thuisgekomen meldde hij zich op verzoek bij de inlichtingendienst van Donetsk om over zijn gevangenschap te vertellen. Dat bezoek mondde echter uit in een twee maanden durende gevangenschap, nu aan de andere zijde van het conflict. De inlichtingendienst van Donetsk beschuldigde hem ervan door de Oekraïense geheime dienst geworven te zijn. Ook hier werd hij geschopt en geslagen. In augustus 2015 werd hij eindelijk, wederom zonder proces, vrijgelaten.

Zijn nieuwe ondervragers waren doof voor zijn verzoeken om door een dokter onderzocht te worden, zodat hij de Oekraïense geheime dienst bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kon aanklagen voor marteling. Zijn klacht bij het Europese hof heeft hij ingediend, ook tegen de autoriteiten in Donetsk.

Ruilmiddel in het conflict

Het verhaal van Vadim is uitzonderlijk, omdat hij de gevangenissen en martelmethoden aan beide kanten van het conflict heeft leren kennen. Verder is zijn lijdensweg helaas niet uniek. In een nieuw rapport laten Amnesty en Human Rights Watch ooggetuigen aan het woord die aan beide zijden te maken hebben gekregen met willekeurige arrestaties en marteling, en in sommige gevallen zelfs gedwongen verdwijning. Zo zat Kostyantyn Beskorovaynyi vijftien maanden vast in Oekraïne, zonder dat de autoriteiten toegaven dat ze hem vasthielden. Vanuit zijn cel hoorde hij bewakers tegenover zijn vrouw ontkennen dat hij gevangen zat.

De detentie van Kostyantyn en Vadim eindigden uiteindelijk in vrijheid, maar niet in vrijspraak. In het rapport komen verschillende soorten vrijlatingen voor, maar rechters of zelfs advocaten komen daar niet of nauwelijks aan te pas. Vaker werden gevangenen zonder enig proces ergens langs de weg achtergelaten, over de frontlijn geschoven of uitgewisseld voor gevangenen van de andere kant van het conflict. Amnesty en Human Rights Watch zijn bang dat het de geheime diensten aan beide zijden daarom te doen is: dat ze mensen arresteren om te kunnen ruilen tegen hun eigen mensen die aan de andere kant gevangen zitten. Zo komen beide kanten in een vicieuze cirkel van arrestaties en uitwisselingen terecht.

Amnesty en Human Rights Watch dringen er daarom bij beide zijden op aan om een eind te maken aan willekeurige arrestaties, marteling en gedwongen verdwijningen en de zaken die aan het licht zijn gekomen grondig te onderzoeken. Ook de internationale gemeenschap moet de mensenrechtenschendingen in Oost-Oekraïne nauwlettend in de gaten blijven houden en aanklachten blijven indienen. Hoe vaak de autoriteiten van Oekraïne of de de facto machthebbers in Donetsk en Loehansk ook toegang blijven weigeren, de VN en andere internationale organisaties moeten op de deur van de illegale detentiecentra blijven kloppen.


Dit artikel verscheen op 9 augustus 2016 op Amnesty blogs.

Wit-Rusland: centen in plaats van de cel

Op de avond van 29 april 2016 verzamelde zich in de straten van Minsk, Wit-Rusland, een groep van ongeveer 35 fietsers. Zij maakten zich op voor een ‘critical mass’; een vorm van vreedzaam demonstreren die meer dan twintig jaar geleden in de Verenigde Staten is ontstaan. ‘Reclaim the streets’ is de slogan van het fenomeen dat wereldwijd navolging heeft gevonden. In Wit-Rusland verliest een dergelijk initiatief echter al snel zijn onschuld. Kort na de aanvang van de actie sneed een politiebusje de demonstranten de pas af, die vervolgens door politieagenten van hun fietsen werden gegooid, geslagen en gearresteerd.

Het beeld van de vreedzame demonstratie die gewelddadig opgebroken wordt, is schokkend, maar tegelijkertijd ook niet. We kennen dit soort beelden uit Wit-Rusland, waar elke presidentsverkiezing wordt gevolgd door massademonstraties en grootschalig politiegeweld, en de eeuwige overwinning voor de zittende president Aljaksandr Loekasjenka. Toch is dit beeld op zijn retour. De afgelopen presidentsverkiezingen verliepen vrijwel zonder demonstraties en geweld – hoewel met dezelfde overwinnaar. Ook liet het land vorig jaar al zijn politieke gevangenen vrij. Betekent dit dat een liberalisering op gang is gekomen?

Politiek zou dat goed uitkomen en binnen de Europese Unie zouden sommige politici dat dan ook graag geloven. Vanwege de steeds moeilijkere situatie aan de oostgrens van de EU – door de verslechterende band met Rusland en de oorlogshandelingen in Oekraïne – zou een nieuwe stabiele partner zeer welkom zijn. Wit-Rusland heeft aan respectabiliteit gewonnen als gastland voor de onderhandelingen tussen Rusland en Oekraïne en is daardoor een mogelijke kandidaat. In februari dit jaar schortte de EU vrijwel alle sancties tegen Wit-Rusland op.

Die sanctie waren echter niet ingesteld met geopolitiek, maar mensenrechten in het achterhoofd. De opschorting was daarom aanleiding voor mensenrechtengroep Libereco om te onderzoeken hoe het daarmee gesteld staat. Zij komen tot een schokkende conclusie: de repressie in Wit-Rusland is weliswaar minder zichtbaar geworden, maar blijkt onder de oppervlakte zelfs toegenomen. Politieke gevangenschap en het gewelddadig opbreken van demonstraties zijn uitzonderingen geworden, maar in plaats daarvan is het aantal opgelegde boetes voor demonstranten en onafhankelijke journalisten verzesvoudigd. Oppositiepoliticus Anatol Liabedzka was in de eerste honderd dagen sinds de sancties werden afgeschaft bijna negen modale Wit-Russische maandsalarissen kwijt aan boetes voor het uitoefenen van zijn politieke activiteit. De Wit-Russische staat zou van alle opgelegde boetes voor opgelegd voor het uitoefenen van het recht op vrije verzameling en vrije meningsuiting in die eerste 100 dagen, 55 politieagenten kunnen betalen. Een mooie bron van inkomsten.

2 - Fines - A Source of Income for the Belarusian Authorities

Wit-Rusland slaagt erin zijn isolatie op het internationale toneel steeds verder te overwinnen door zich onder andere steeds meer afzijdig te houden van de vormen van repressie die de internationale pers halen. Wie echter verder kijkt dan dat, ziet dat de repressie onder de radar door gaat en nu activisten voornamelijk in hun portemonnee raakt in plaats van op het lichaam.

Het onderzoek van Libereco is te vinden op www.lphr.org/100days.


Dit artikel verscheen op 28 juni 2016 op de website van Foundation Max van der Stoel

 

 

Minder zichtbaar, maar niet minder: Mensenrechtenschendingen in Wit-Rusland

Op 26 april was Natalia Samatyya onderweg naar een door de autoriteiten goedgekeurde mars om de ontploffing te herdenken van de kerncentrale in Tsjernobyl in buurland Oekraïne, die dag dertig jaar geleden. In de metro werd zij gefouilleerd door politieagenten. Toen zij ontdekten dat zij een zelfgemaakte poster bij zich had, arresteerden zij haar ter plekke. Zij moest een nacht in de cel doorbrengen en nu hangt haar een hoge boete boven het hoofd.

Wat Natalia overkwam, is in Wit-Rusland niks bijzonders. Het enige uitzonderlijke aan haar verhaal is dat de demonstratie waar zij heen ging, was toegestaan. Het toelaten van publieke bijeenkomsten is de uitzondering in Wit-Rusland, niet het arresteren en beboeten van de menen die er aan deelnemen.

100 alledaagse Wit-Russische dagen

Op 3 juni is het 100 dagen geleden dat de Europese Unie besloot om vrijwel alle sancties tegen Wit-Rusland op te heffen. Die waren ooit ingesteld vanwege de grove mensenrechtenschendingen in het land. De EU vond de tijd nu rijp voor verandering. In 2015 liet Wit-Rusland namelijk zijn politieke gevangenen vrij en de presidentsverkiezingen in oktober, waarbij president Aliaksandr Loekasjenka voor de vijfde (!) keer werd verkozen, verliepen in tegenstelling tot eerdere keren vrijwel zonder arrestaties. Dat de OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, ‘significante problemen’ tijdens de verkiezingen zag, mocht de pret blijkbaar niet drukken.

De 100 dagen zonder sancties geven een weinig bemoedigend beeld. Wit-Rusland ontdoet zich van middelen van repressie die in het buitenland de krantenkoppen halen, zoals lange gevangenisstraffen voor politieke tegenstanders en het gewelddadig neerslaan van demonstraties. De onderdrukking wordt minder zichtbaar, maar de druk op de samenleving neemt niet af. Sinds 2015 is het aantal boetes voor organisatoren en deelnemers van vreedzame bijeenkomsten of onafhankelijke journalisten verzesvoudigd. Of kijk naar journalist Kastus Zhukousky. Hij kreeg in 100 dagen evenveel aan boetes opgelegd als een freelance journalist in dezelfde periode verdient.

7 - The Illusion of Liberalisation - Administrative Punishment in 2015 & 2016

Het laatste Europese land dat de doodstraf uitvoert

Wit-Rusland voldoet nog lang niet aan de eisen die de Europese Unie met de sancties wilde afdwingen. Een belangrijk punt daarin was de doodstraf, waar de EU liever vandaag dan morgen een einde aan zou zien. Op een conferentie over de doodstraf in Minsk in maart dit jaar bleven Wit-Russische overheidsvertegenwoordigers het gebruik ervan echter fervent verdedigen tegenover de aanwezige EU-afgevaardigden. Door Wit-Rusland van ontwikkelingen in West-Europa te isoleren, hadden de sancties zelfs bijgedragen aan het behoud van de doodstraf, zo beargumenteerden zij.

Maar nu de  sancties weg zijn, is de doodstraf nog springlevend. Op 15 februari, de dag dat de EU voorstelde de sancties af te schaffen, hoorde de 31-jarige Siarhei Khmialeuski in Minsk de doodstraf tegen zich uitspreken. In de eerste vijf maanden van 2016 kregen nog twee anderen de doodstraf en werd van drie ter dood veroordeelden het hoger beroep afgewezen. Zij kunnen ieder moment geëxecuteerd worden. Op maandag 18 april werd Siarhei Ivanou als eerste gevangene sinds november 2014 terechtgesteld. Zijn familie werd pas twee weken later op de hoogte gesteld, toen zij Siarhei in de gevangenis kwamen opzoeken. De doodstraf is al onmenselijk, door de intensieve geheimhouding van de dag van de executie verkeren ook de familieleden van de veroordeelden in constante angst en krijgen zij geen kans om afscheid te nemen. In de laatste 100 dagen heeft Wit-Rusland al meer gebruikgemaakt van de doodstraf dan in heel 2015.

3 - Death Penalty in Belarus since 2014.jpg

Omdat de situatie in buurlanden Rusland en Oekraïne verslechtert, trekken de mensenrechtenschendingen in Wit-Rusland minder de aandacht. Bovendien spelen de Wit-Russische autoriteiten het slim door opzichtige onderdrukking zoals gevangenisstraffen achterwege te laten, maar ondertussen critici flink onder de duim te houden door ze hoge boetes te geven. Wit-Rusland is nog ver verwijderd van een rechtsstaat die mensenrechten respecteert, en kan het nog lang niet worden gezien als de stabiele partner die de EU graag aan haar oostgrens zou hebben.

Kom nu in actie om de volgende executie te voorkomen

Mensenrechtenorganisatie Libereco – partnership for human rights publiceerde een analyse over 100 dagen rechtsstaat in Wit-Rusland, gebaseerd op het monitoringswerk van Wit-Russische mensenrechtenorganisatie Viasna.


Dit artikel verscheen op 3 juni 2016 op Amnesty Blogs.

Oekraïne verdient het zelf te kiezen, of: waarom ik eigenlijk niet wil stemmen

Opeens praat Nederland over Oekraïne. Jarenlang is het land in oproer, maar nu pas, dankzij een referendum waar maar weinigen om hebben gevraagd, is Oekraïne opeens alomtegenwoordig op tv, social media en de houten verkiezingsschotten.

Ik kan me alleen niet aan het gevoel onttrekken dat we het nog steeds niet over Oekraïne hebben, noch over het associatieverdrag, waar het referendum officieel over gaat. Zoals zo vaak als we over buitenlandse kwestie praten, hebben we het vooral over onze eigen concepties en belangen. Enkele jaren geleden interviewde ik academicus van Poolse komaf Jan Zielonka. Hij sprak over de opkomst van massaprotest in zijn thuisland in de jaren tachtig; iets wat velen in het Westen sterk bezighield. Polen was slechts een voetnoot bij de discussies over Polen, stelde hij. Ook nu is dat weer het geval. We zeggen ‘Associatieverdrag’ en ‘Oekraïne’, maar we bedoelen allemaal iets anders en blijven steken in de opvattingen die we al hadden.

Dat land waar het referendum dus niet of nauwelijks over gaat, daar wil ik het over hebben. Zonder gevangen te raken in het welles-nietes dat nu overheerst, wil ik laten zien hoe in het licht van de recente gebeurtenissen Oekraïne onze fascinatie verdient, niet ons oordeel.

Van Maidan tot Maidan

In 2004 maakte Oekraïne een glorieuze entree in de wereld van de Nederlandse journaalkijker en krantenlezer. In het jaar dat Oekraïne buurstaat van de EU werd, werd het land bekend dankzij de demonstranten die in tentenkampen de barre Oekraïense winter trotseerden. De bevolking ging de straat op – of eigenlijk het plein (Maidan) – om de door de pro-Russische verkiezingskandidaat Viktor Janoekovitsj opgeëiste overwinning te betwisten.

Die fascinatie die de overwinning van de Oekraïense bevolking teweegbracht, was van korte duur. Eenmaal in het zadel bleken de nieuwe leiders tegen te vallen. Uiteindelijk werd zelfs de pro-Russische kandidaat Janoekovitsj herkozen. Het was een goed moment om als Nederlandse toeschouwer gedesoriënteerd en gedesillusioneerd af te haken.

Van lichtend voorbeeld voor de post-Sovjet-gebieden werd Oekraïne een toonbeeld van hoe repressie en corruptie onoverkomelijke erfenissen van de Sovjet-Unie waren. Het land laveerde tussen Rusland en de EU aan beide grenzen.

Toen in 2013 Janoekovitsj op het laatste moment van de ondertekening van het moeizaam onderhandelde associatieverdrag met de EU af zag, ontstak echter het vuur van Maidan opeens weer. Vooral jonge mensen, getooid in Europees blauw met sterren, bemanden het zogenaamde Euromaidan. Terwijl in de EU ‘Europa’ een vies woord begon te worden, trotseerden hier demonstranten opnieuw de Oekraïense winter voor hun idee van Europa. Pogingen van het regime deze demonstranten met geweld weg te krijgen, bereikten het tegenovergestelde. En terwijl de menigte aanzwol, herleefde mijn fascinatie met een revolutie die opnieuw bezig was Janoekovitsj de macht te ontnemen.

In februari escaleerde het conflict tussen staat en straat in een week van geweld, waarbij scherpschutters meer dan honderd mensen doodden. Het dodental liep elke dag op. De week van geweld eindigde desondanks in een triomf van de bevolking: Janoekovitsj vluchtte naar Rusland.

Rusland betreedt het toneel

De triomf bleek van korte duur. Terwijl de nieuwe regering met vallen, opstaan en de nodige missers probeerde chaos en tweestrijd op afstand te houden en het land tegelijkertijd te hervormen, nam Rusland de Krim in en stuurde troepen naar Oost-Oekraïne. Al snel was de rust op Maidan weergekeerd, maar was het land in oorlog.

Toen kwam 17 juli 2014, de dag waarop heel Nederland naar Oekraïne keek, ook al was de plaats waar de MH17 neerkwam ondergeschikt aan het collectieve verdriet. Dezelfde week nog hield ik een al eerder geplande bijeenkomst over Oekraïne. ‘Relevant opeens hè?’, merkte één van de aanwezigen op. Op dat moment realiseerde ik me pas dat de fascinatie voor Maidan en wat volgde maar een niche-bezigheid was geweest en dat een groot deel van Nederland nu pas, en slechts voor korte tijd, realiseerde wat er in Oekraïne aan de hand was.

 Voorbij het ja of nee

Op zo’n moment zijn we nu weer aanbeland. De beschietingen over en weer in Oost-Oekraïne waren al lang weer uit de krantenkoppen verdwenen toen het referendum ons dwong over Oekraïne na te denken. Dat weerhoudt voor- en tegenstanders er niet van volledig langs elkaar heen te praten over dingen die vaak maar zijdelings met Oekraïne te maken hebben.

Eerst was er het nee-kamp, dat het vooral had over Europa. De angstbeelden van een sluipend EU-lidmaatschap voor Oekraïne en stromen met geld die naar het oosten zouden vloeien, hadden weinig te maken met de tekst die er lag. Het associatieverdrag stelden zij voor als een knieval voor het ‘voor ons beslissende Brussel’.

CAM01097

Verkiezingsschot in Utrecht. Beeld: C. Miedema, 2016.

Vervolgens stond er een ja-kamp op, geleid door de regering, dat vooral benadrukte hoeveel geld ‘wij’ kunnen verdienen dankzij dit associatieverdrag. Het verdrag begon steeds meer als een VVD-partijprogramma te klinken. Dit kamp werd al snel versterkt door de toekomstige ja-stemmers die het juist wél over Oekraïne wilden hebben en spraken over solidariteit en geopolitiek. De inhoud van het associatieverdrag is voor hen ondergeschikt aan wat het symboliseerde voor mensen die in de straten van Kiev zijn gestorven. Het verdrag klonk hier als vrijheidsmanifest tegen Poetin.

Inmiddels is er nog een nee-kamp opgestaan dat het verdrag wél heeft gelezen en ons waarschuwt voor de vrijhandel, chloorkippen en schaliegas die schuilgaan in de kleine lettertjes. Zij gaan er aan voorbij dat ze het hebben over een tekst waar dit referendum al lang niet meer over gaat.

Hoe valt er nog te stemmen in een referendum, dat gaat over een verdrag dat vrijwel niemand gelezen heeft, maar voor iedereen iets anders symboliseert: van vrijheid tot vrijhandel, van internationale solidariteit tot een middelvinger naar Brussel? Mij staat het tegen de Oekraïners mijn voor of tegen op te leggen. Het liefst zou ik dat land, en de Nederlanders, willen bevrijden van het ja-nee-narratief waarin we nu verstrikt raken en we allemaal over een ander verdrag stemmen. Maar in het zicht van een opkomstpercentage van boven de 30 procent kies ik ervoor de Oekraïense bevolking een hart onder de riem te steken met een solidair ja voor het symbool dat het verdrag is geworden. Liever dat dan verder te bakkeleien over een verdrag dat voor iedereen iets anders betekent.

————-

Dit artikel verscheen op 30 maart 2016 op euforum, een website van Clingendael.

7 februari 1988: onvrijwillig in het Westen

‘Bis ich mich hier durchfinde, muss ich noch einmal so alt werden. Es ist eben eine andere Gesellschaft.’ Bärbel Bohley, Oost-Duits burgerrechtenactiviste, was toen ze dit in haar dagboek schreef vier weken in West-Duitsland, maar kon haar verwondering nog niet op. Op 7 februari 1988 verliet zij tegen haar wil de DDR waar zo velen met grote risico’s uit vluchtten. In de Bondsrepubliek vond ze geen alternatief.

Samen met Bohley werden nog zes prominente leden van de Oost-Duitse vredesbeweging het land uitgezet. Ook Lotte en Wolfgang Templin, Stephan Krawczyk, Freya Klier, Werner Fischer en Ralf Hirsch moesten weg, terwijl ze, in tegenstelling tot vele landgenoten, de DDR juist niet wilden verlaten.

Ausgebürgert

Dat zij desondanks ausgebürgert werden, een lot dat voor hen enkele andere onwelgevallige Oost-Duitse activisten had getroffen, was een gevolg van een reeks gebeurtenissen die startte op 17 januari 1988. Op deze dag, de traditionele herdenking van de dood van de communistenleiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, was de officiële door de staat georganiseerde demonstratie opgeschrikt door een demonstratie van zogenaamde Ausreisewilligen. Het kwam tot arrestaties en de demonstranten werden in feite uiteindelijk beloond met wat ze wilden: de mogelijkheid een nieuw leven op te bouwen in het Westen.

Deze demonstratie had het gewenste effect gehad op hen die de DDR wilden verlaten, maar het zou ook zijn effect hebben op een groep activisten die had besloten niet deel te nemen. Een week later werd een groot deel van de oppositiegroep Initiative Frieden und Menschenrechte gearresteerd, een groep die het regime bijzonder in de weg zat omdat het de vinger op de zere plek legde. Naast vrede, waarin Oost en West beide tekort schoten, wezen zij in navolging van hun Oost-Europese oppositionele collega’s ook op het onderwerp mensenrechten. Op dat onderwerp kon de DDR-regering een stuk moeilijker naar haar Westerse buur wijzen, hoe zeer ze ook haar best daartoe deed.

Tijdens hun Stasigevangenschap werden deze activisten sterk onder druk gezet om hen dezelfde weg te laten gaan als de arrestanten van 17 januari. Ondertussen draaiden de Oost-Duitse kerk en West-Duitse organisaties op volle toeren om deze mensen uit de handen van de geheime dienst te ‘redden’. De Stasi ging zoals altijd grondig te werk: door te dreigen met hoge straffen ondertekenden uiteindelijk alle activisten hun ‘uitburgerings’-papieren. Revolutionair was echter de voorwaarde die enkelen van hen af hadden weten te dwingen. De ballingschap van Bohley en Fischer zou beperkt blijven tot een half jaar, terwijl de Templins na twee jaar zouden mogen keren. Voor het eerst in de geschiedenis van de DDR was een ballingschap omkeerbaar.

In het Westen op de verkeerde plek

De Ausgereisten werden al snel in West-Duitsland geconfronteerd met de golf aan media-aandacht die hun arrestatie en uitzetting hadden gecreëerd. Na de overval op de Zionskirche in november 1987 was dit de tweede gelegenheid waarbij de DDR ongekend hard tegen de oppositie optrad. Achteraf gezien was dit een verdere stap richting het einde van de DDR. Dat kende zijn weerklank in de Bondsrepubliek. De SPD en de kerken hadden alles op alles gezet om deze mensen vrij te krijgen. Uiteindelijk verkregen ze deze vrijheid echter niet op de plaats waar ze die hadden willen hebben en dit maakten ze dan ook duidelijk kenbaar in de West-Duitse pers. Bohley stak haar twijfel over het Westerse consumentisme niet onder stoelen of banken. Deze scepsis deelde zij met de partij de Grünen, bij wie zij en de Templins ook ondersteuning vonden in het Westen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Tentoonstelling over de gebeurtenissen van begin 1988 in de DDR, Alexanderplatz 2009 – Beeld: C. Miedema, 2009.

Bohley zelf voelde zich op de verkeerde tijd op de verkeerde plek, vertelde Elisabeth Weber, één van haar sympathisanten bij de Grünen, mij later. Ook in deze partij was het begrip en de sympathie echter beperkt. Afgezien van de steun van enkele vrienden in de partij, die hen ook in al in de DDR waren komen opzoeken, reageerde de meerderheid met desinteresse. Toen hun sympathisanten hen meenamen naar een fractievergadering, verliet de helft van de aanwezigen de ruimte. Ook Wolfgang Templin was geschrokken van het gebrek aan invoelingsvermogen in het Westen, vertelde hij me vorig jaar in zijn huidige woonplaats Warschau.

Het meest tergend was de onzekerheid of de DDR haar woord zou houden. Boven verwachting mochten Bohley en Fischer inderdaad in augustus 1988 terugkeren naar de DDR. Wederom had de SPD gelobbyd: en ditmaal om daadwerkelijk hun wensen te vervullen. Bohley nam haar niet onverdeeld positieve ervaringen van het Westen mee terug en deed waarvoor ze in de DDR had willen blijven: ze werd één van de drijvende krachten achter Neues Forum, de belangrijkste burgerbeweging in de DDR tijdens de omwentelingen van 1989. Haar doel was het hervormen van de DDR, niet het samengaan met een Westen waar ze, dat was gebleken, weinig voor voelde. De Templins kregen de tijd niet hun twee jaar in het Westen uit te zitten; de gebeurtenissen van 1989 verkortten hun ‘ballingschap’. Daarvoor kwam het Westen uiteindelijk echter ook naar de DDR. 1988 bleek slechts een vervroegde kennismaking met wat na 1989 zou volgen.

———————————-

Dit artikel verscheen op 7 februari 2013 op de weblog van het Duitsland Instituut.

‘Elk tijdperk heeft zijn eigen bruggenbouwers nodig’

De interesse in het land Polen is in Nederland gering. Hoewel Polen slechts twee grenzen van ons af ligt en er belangrijke historische banden bestaan, is er slechts weinig aandacht voor in de Nederlandse media. Toch is Polen in zekere zin de afgelopen jaren dichterbij gekomen. Nog niet zo lang geleden scheidden nog drie grenzen – waaronder een IJzeren Gordijn – Warschau van Amsterdam. Zowel in die jaren als nu waren en zijn er mensen die deze afstand proberen te verkleinen. Zij herkennen de kloof in kennis, begrip en opvattingen die tussen beide landen bestaan en proberen die te overbruggen. Het zijn mensen van Poolse komaf die voldoende integreren in de Nederlandse maatschappij om goed in te zien waarom beide volkeren elkaar soms niet begrijpen. Tegelijkertijd staan ze nog dicht genoeg bij Polen om te weten wat daar speelt en kunnen ze dat in Nederland uitleggen.[1]

De jaren van Solidarność

De mogelijk belangrijkste golf van Nederlandse interesse in Polen kwam in de jaren tachtig. In de zomer van 1980 legden overal in Polen fabrieksarbeiders het werk neer. Daarmee kregen zij gedaan dat in Polen een onafhankelijke vakbond opgericht mocht worden. Solidarność (Solidariteit) zette een omvangrijk hervormingsproces in Polen in werking. Op 13 december 1981 draaide generaal Wojciech Jaruzelski echter de klok terug door de staat van beleg uit te roepen en de vakbondsleiders te interneren.

Deze gebeurtenissen brachten meer beweging op gang tussen Polen en het Westen: aanvankelijk omdat dankzij Solidarność de mogelijkheden om te reizen toenamen, later omdat mensen vluchtten voor de repressie. In het Westen kwam de Poolse migrantengemeenschap in actie. In Nederland ontstonden in 1980 en 1981 verschillende actiegroepen van Polen die aandacht wilden vragen voor de situatie in hun thuisland. Na de uitroeping van de staat van beleg verenigden zich Poolse nieuwkomers die lid waren van de vakbond Solidarność samen met al langer in Nederland verblijvende Polen in een informatiebureau van Solidarność.

In deze tijd van publieke interesse in Polen bestond een grote behoefte aan duiding. Al snel kwamen er Poolse migranten als specialisten bovendrijven. Vooral tijdens de eerste maanden van de staat van beleg werkte de combinatie van een grote interesse in Polen en een minieme informatiestroom uit Polen de opkomst van nieuwe ‘talking heads’ in de hand.

Ideale commentatoren

Eén van hen was Jan Minkiewicz, zoon van Poolse oorlogsmigranten, en actief in de in 1981 opgerichte Poolse actiegroep Merpol en het later ontstane Solidarność-informatiebureau. Hij was in Nederland opgegroeid en had in de jaren zeventig veel tussen Polen en Nederland heen en weer gereisd. Doordat hij beide landen en talen goed kende, was hij een ideale commentator voor Nederlandse media.

Ook voor de in 1976 naar Nederland gevluchte Sasza Malko luidden de vroege jaren tachtig een drukke periode in. Als journalist besloot hij zijn collega’s te informeren door Poolse documenten naar het Nederlands te vertalen. Hij schreef zelf artikelen in Vrij Nederland en NRC Handelsblad waarin hij de terughoudende reactie van verschillende Nederlandse organisaties op de gebeurtenissen in Polen bekritiseerde. Daarnaast probeerde hij meer begrip te kweken voor de vervreemding van migranten in een nieuw land en pleitte hij hartstochtelijk voor meer aandacht voor Oost-Europa op Nederlandse scholen en in de media.[2]

In hun pogingen Polen uit te leggen aan een Nederlands publiek stuitten zij op grote verschillen tussen de Poolse oppositie en de Nederlandse politieke, academische en journalistieke milieus waar zij in terecht waren gekomen. In Nederland domineerde in de vroege jaren tachtig het onderwerp ontwapening in de politieke debatten. Dit uitte zich het duidelijkst in de twee massale antikernwapendemonstraties in 1981 en 1983, waarbij honderdduizenden de straat op gingen tegen de plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernwapens in Nederland.

Het debat in de Poolse oppositie verliep heel anders. Daar zagen velen de obsessie met Westerse kernwapens in Nederland en andere landen als een teken dat veel mensen in het Westen de dreiging uit Moskou onderschatten. De onderwerpen ‘vrede en ontwapening’ waren verdacht omdat deze in Oost-Europa veelvuldig in de propaganda figureerden en in West-Europa een voorwendsel leken om zich minder kritisch ten opzichte van de Oost-Europese regimes op te stellen. Doordat er in de vroege jaren tachtig nog vrijwel geen contact tussen de Westerse vredesbeweging en de Poolse oppositie bestond, konden wederzijdse vooroordelen welig tieren. Terwijl veel Poolse activisten veronderstelden dat de Westerse vredesbeweging door Moskou gestuurd werd, zagen veel vredesactivisten de Poolse strijd juist als een de facto verlenging van hun eigen strijd tegen kernwapens.

Tussen twee werelden

Door hun positie tussen twee werelden in waren Poolse migranten in een goede uitgangspositie om te bemiddelen. Minkiewicz zag bijvoorbeeld de Nederlandse vredesactivisten niet als lakeien van Moskou, maar als geëngageerde jonge mensen die met wat ‘missionariswerk’ in de juiste richting geleid konden worden. Hij wist verschillende contactpersonen in de Poolse oppositie daarvan te overtuigen en ontwikkelde zich eind jaren tachtig tot officiële bemiddelaar tussen de Westerse vredesbeweging en de Poolse oppositiegroep ‘Vrijheid en Vrede’. Toen in 1985 de voorman van de Nederlandse vredesbeweging Mient Jan Faber naar Polen reisde om Solidarność-activisten te ontmoeten, stuurde Minkiewicz een briefje vooruit waarin hij liet weten dat de twee afgevaardigden ‘in orde’ waren en dus niet voor ‘trouwe dienaren’ van Moskou gehouden moesten worden.[3] Minkiewicz bleef actief in het Westen aandacht vragen voor de Poolse oppositie totdat dat na de omwentelingen van 1989 niet meer nodig leek.

Ook Malko meldde zich in de vredesdiscussie. Met polemiserende artikelen wist hij discussies op te roepen over de mate waarin de boodschap van de vredesbeweging in landen zoals Polen geaccepteerd zou worden. Net als Minkiewicz richtte hij zijn pijlen bovendien ook op Polen. In het Poolse migrantenblad Kontakt legde hij met een kritische ondertoon Nederland uit aan Poolse migranten. ‘Precies wat ik over Polen deed hier in Nederland, deed ik over Nederlanders in het Pools,’ zo stelt hij achteraf. Hij toonde duidelijk zijn ergernis over de opvattingen in de vredesbeweging, maar bekritiseerde eveneens de eenzijdige afwijzing van sommige Poolse migranten.

Nieuwe tijden, nieuwe bruggenbouwers

Na 1989 kwamen andere onderwerpen op de agenda en kwamen nieuwe bruggenbouwers bovendrijven. Małgorzata Bos-Karczewska kwam in 1980 naar Nederland. Ze emigreerde uit Gdańsk, waar op dat moment Solidarność werd opgericht. De grote interesse in Polen in haar nieuwe thuisland nam zij van een afstandje waar: ‘Ik was een toeschouwer.’ Zelf was ze als nieuwkomer nog bezig haar plek in Nederland te vinden. Haar tijd kwam vanaf 1989. Op 8 oktober dit jaar werd zij voor haar 25-jarige journalistieke en bemiddelende activiteit door de Poolse president geëerd met het Ridderkruis. In zijn toespraak stelde de Poolse ambassadeur die het kruis uitreikte: ‘Met haar publicaties creëert zij een positief beeld van ons land in Nederland en stimuleert zij de Pools-Nederlandse vriendschap. Wij zijn bijzonder dankbaar daarvoor.’[4]

Bos-Karczewska begon haar journalistieke loopbaan in 1989, toen de interesse in Polen weer toenam. Het bleek precies het moment dat de politieke en economische ontwikkelingen daar over elkaar heen buitelden. Als econoom was Bos-Karczewska de aangewezen persoon om voor de Volkskrant over de overgang van Polen naar het kapitalisme te schrijven. Kort daarna breidde ze haar bemiddelingsrol ook naar Polen uit, toen zij actief werd als correspondent voor de Poolse krant Rzeczpospolita en onder andere over Nederlandse multinationals en hun eerste stappen op de Poolse markt schreef.

Vanaf 1989 voelde Bos-Karczewska zich gedragen door een opeenvolging van onderwerpen. Eerst was er de Poolse transitie, daarna de Poolse toetreding tot de EU en vervolgens begon de Poolse arbeidsmigratie. Steeds voelde ze zich geroepen haar thuisland aan Nederlanders uit te leggen. Een hoogte- of dieptepunt vormde het meldpunt van Geert Wilders voor ‘Oost-Europees overlast’ in 2012. Dat was geen Nederlands-Poolse kwestie meer, maar werd al snel internationaal. Media uit heel Europa meldden zich en uiteindelijk hing zelfs de Washington Post aan de lijn. Anderhalve maand lang was ze alleen maar bezig met het beantwoorden van mediaverzoeken. Het deed haar enigszins begrijpen wat Minkiewicz in de jaren tachtig had meegemaakt, al waren de omstandigheden destijds anders: ‘Ik was bezig de publieke ruimte te bespelen, maar de ambassadeurs van de Midden-Oost-Europese landen hadden hun eigen initiatief en het Europees Parlement was ook bezig met een resolutie. Minkiewicz stond alleen, met een paar goedwillende mensen. En dan moest hij ook nog materiële steun voor de oppositie organiseren. Dat was echte strijd.’

Culturele kloof

Terwijl in de jaren tachtig nog een IJzeren Gordijn tussen Nederland en Polen hing, zijn nu alle grenscontroles verdwenen. Toch ziet Bos-Karczewska nog steeds een ‘culturele kloof’ die overbrugd moet worden. Beide landen zijn volgens haar vooral met zichzelf bezig en nemen daardoor de veranderingen in het andere land nauwelijks waar. Wederzijdse voorstellingen van elkaar zijn slechts geleidelijk te veranderen.

Veel huidige initiatieven van bruggenbouwers zijn cultureel van aard. Ook in de jaren tachtig bestond er een initiatief als de Pools-Nederlandse Kulturele Vereniging. Maar voor veel meer politiek georiënteerde Poolse migranten voelde enkel culturele activiteit te weinig relevant in een tijd dat in Polen een politieke strijd tegen een eenpartijstaat heerste.[5] Nu zijn die bezwaren minder aanwezig en richtten juist veel bruggenbouwers uit de Poolse gemeenschap zich op de Poolse taal en cultuur of op de integratie van Poolse migranten. Een voorbeeld is Iwetta de Koster die zich met de Stichting IDHEM al jarenlang inzet voor Poolse en andere migranten in Nederland. Of Karolina Eckhardt die met behulp van Stichting Kreda Polen met de Nederlandse en Nederlanders met de Poolse taal laat kennismaken. Ook zijn er tal van Poolse culturele initiatieven ontstaan, aangejaagd door Poolse migranten, die niet alleen hun cultuur van thuis willen meenemen, maar ook Nederlanders ervan willen laten proeven. De misschien meest kleurrijke Poolse bruggenbouwer van dit moment is Mr. Polska. Hij maakte niet alleen furore in Nederland als rapper, maar legde ook in 2012, het jaar van de Europese voetbalkampioenschappen in Polen, in reportages op de Nederlandse radio uit hoe volgens hem Polen in elkaar stak.[6]

Eén ding is volgens Bos-Karczewska de afgelopen decennia niet veranderd: de Nederlandse interesse in het land Polen is nog steeds gering. De belangstelling leeft slechts sporadisch op. Nederlandse Polen-specialisten zijn dan echter nauwelijks te vinden. ‘Als er iets groots gebeurt, is er niemand die het begrijpt.’ Zo komen Pools-Nederlandse bruggenbouwers steeds weer in beeld.

—————–

Dit artikel verscheen in Donau, extra nummer 2015.

NOTEN

[1] Dit artikel is een gebaseerd op het artikel ‘Bruggenbouwers tussen Oost en West’ in Donau 2015/2. Dit artikel baseert zich op het in dit eerdere artikel genoemde bronnenmateriaal. Meer achtergronden zijn te vinden in Christie Miedema, Vrede of Vrijheid? Dilemma’s, dialoog en misverstanden tussen Nederlandse en West-Duitse linkse organisatie en de Poolse oppositie in de jaren tachtig (Amsterdam 2015).

[2] Interviews Sasza Malko, 21-9-2011 en 26-1-2012. Zie voor een overzicht van Malko’s publicaties Donau 2015/2.

[3] Interviews Jan Minkiewicz, 15-6-2010, 30-6-2010 en 6-1-2012. Archiwum KK, Biuro Koordynacyjne Brukseli 740.000: Jan Minkiewicz, Ruchy pokojowe na zachodzie: ich charakter i znaczenie, Bruksela 8.06.1984. Archiwum KK, Korespondencja LW 197-44, J.M., Chciałbym poinformować L.W.

[4] Interview Małgorzata Bos-Karczewska, 14-10-2015. Privéarchief Małgorzata Bos-Karczewska, Wystąpienie Ambasadora RP Jana Borkowskiego – Bos-Karczewska, Haga 08-10-2015.

[5] Zie bijv. Interview Elżbieta Barłowska, 24-3-2015.

[6] Zie o.a. www.idhem.nl, www.kreda.nl, www.poolspodium.nl. Zie voor de radio-interviews met Mr. Polska: www.radio1.nl.

Bruggenbouwers tussen Oost en West: De Poolse migranten van de jaren tachtig waren volop aanwezig in de media en het politieke debat.

Nog niet zo lang geleden had Poolse migratie een heel ander karakter dan nu. Gewend als we zijn geraakt aan stereotypes van Polen als economische massamigrant en goedkope klusjesman, was de Poolse aanwezigheid in Nederland tot enkele decennia geleden nog voor een belangrijk deel politiek gemotiveerd. Dit zorgde voor een ander beeld van zowel Polen als van Poolse migranten. Opvallend was daarbij vooral dat veel Poolse migranten zelf hun uiterste best deden het Nederlandse beeld van Polen te beïnvloeden.[i]

Poolse emigratiegolven

De geschiedenis van de Poolse migratie naar Nederland verliep in vier golven, waarbij de eerste en laatste hoofdzakelijk economisch waren en de tweede en derde voornamelijk politiek. In de eerste helft van de twintigste eeuw trokken Poolse arbeiders naar de Nederlandse mijnen om daar te werken.[ii] Na de Tweede Wereldoorlog speelden Poolse militairen een rol in de bevrijding van Nederland. Uit dankbaarheid en vanwege een tekort aan arbeidskrachten nodigde de Nederlandse regering een groot aantal in het Westen gestrande Polen uit naar Nederland. Enkele duizenden besloten hiertoe, omdat zij niet terug wilden naar Polen zolang het communistisch was, of omdat zij een Nederlands meisje hadden leren kennen.[iii] De derde emigratiegolf was uitgestrekter en meer geleidelijk en bestond uit Poolse zeevaarders en reizigers die weigerden terug te keren en anderen die voor het communistische regime vluchtten.[iv] De laatste, economische golf van migratie begon in de nadagen van het communistische regime in Polen in de jaren tachtig en houdt in feite nog steeds aan.

Al met al was tijdens de Koude Oorlog het aantal Polen dat Nederland bereikte relatief gering. Uitschieters waren de vroege en late jaren tachtig. Aan het begin van het decennium was in Polen de onafhankelijke vakbond Solidarność (Solidariteit) opgericht die een omvangrijk hervormingsproces in Polen in werking zette. Op 13 december 1981 draaide generaal Wojciech Jaruzelski de klok terug door de staat van beleg uit te roepen en de vakbondsleiders te interneren. Veel Polen die van de grotere vrijheid gebruik hadden gemaakt om naar het Westen te reizen, durfden niet terug te keren, bang voor arrestatie. Onder deze omstandigheden zag de Nederlandse regering dat een gebaar noodzakelijk was, maar zij was ook bang grote stromen vluchtelingen aan te trekken. De beslissing honderd Polen op te nemen uit vluchtelingenkampen in Oostenrijk leidde tot kritiek vanuit de oppositiepartijen en de media, die meer hadden verwacht. De regering zelf was er echter van overtuigd in vergelijking met andere Westerse landen niet uitzonderlijk streng te zijn.[v]

Na 1983 kreeg de migratie uit Polen een meer economisch karakter. In de Nederlandse media verschenen steeds weer berichten over passagiers van Poolse cruiseschepen die na een bezoek aan Amsterdam of Rotterdam niet terugkeerden aan boord.[vi] De Nederlandse regering bleef hopen een al te grote toestroom te kunnen stuiten en stuurde toen de politieke situatie in Polen enigszins verbeterde asielzoekers met economische motieven terug naar Polen.[vii] Desondanks bleven de Polen komen. In de periode 1981-1985 kwamen er volgens het CBS ongeveer 500 Poolse immigranten naar Nederland, wat vervolgens snel veranderde in meer dan 500 per jaar. In 1987, 1988 en 1989 behoorde Polen tot de belangrijkste herkomstlanden voor asielzoekers, met respectievelijk 200, 461 en 892 asielverzoeken.[viii]

Zelf imago bepalen

De redenen dat Polen naar Nederland kwamen, bepaalden sterk hun imago. Zo bleef in Zuid-Nederland dat beeld nog lang bepaald door dankbaarheid voor de Poolse bijdrage aan de bevrijding.[ix] Daarnaast werd het beeld onherroepelijk bepaald door de Koude Oorlog. Vluchtelingen uit een communistisch land stonden in Westerse ogen in principe ‘aan de goede kant’. Door uit Oost-Europa te vluchten, bevestigden zij immers het idee van Westerse politici dat achter het IJzeren Gordijn een onmenselijk regime bestond, waaraan Westerse landen duidelijk superieur waren. Dat paste goed in het vijanddenken van de Koude Oorlog. Oost-Europeanen werden echter niet direct met open armen ontvangen. De Koude Oorlog wakkerde namelijk ook de angst aan dat er zich onder de asielzoekers spionnen uit het Oostblok zouden bevinden. Daarnaast vreesde Nederland een aanzuigende werking van te coulante toelating van vluchtelingen in eigen land.[x]

De Polen die naar Nederland kwamen, hadden door de vele Poolse opstanden tegen het communistische regime een imago gekregen van verbeten strijders tegen het juk van Moskou. Gedurende het hoogtepunt van de Koude Oorlog in de jaren vijftig en zestig, had dat voor veel Nederlanders een positieve connotatie. Dit veranderde geleidelijk in de jaren zeventig toen vooral veel linkse jongeren zich afzetten tegen het naar hun mening ‘stoffige anticommunisme’ van de generatie van hun ouders. Velen van hem ontwikkelden een beduidend rooskleuriger idee over de situatie in Oost-Europa en daarmee nam hun begrip voor vluchtelingen van achter het IJzeren Gordijn af. Poolse vluchtelingen merkten bij hun komst naar Nederland dat zij in linkse vluchtelingenorganisaties minder warm werden ontvangen dan Latijns-Amerikaanse vluchtelingen uit rechtse regimes. De politieke emigrant Sasza Malko, die in 1976 naar Nederland vluchtte, schreef daarover:

 ‘Oosteuropeanen worden hier toegelaten door rechtse regeringen vanwege de Koude Oorlog, is het oordeel van links. Vluchtelingen uit Oost-Europa bevestigen de Koude Oorlogsgedachte. Zij zijn daar exponenten van. Daarom zijn vluchtelingen uit Oost-Europa verwerpelijk, storend en ongewenst.’[xi]

De interesse in Polen en de Poolse gemeenschap nam sterk toe in de jaren tachtig. De politieke activiteiten daar stimuleerden ook Poolse migranten in Nederland zich politiek te roeren. Naar aanleiding van het verschijnen van Solidarność richtte een groep Polen in Nederland de organisatie ‘Mensenrechten in Polen’, kortweg Merpol op. De groep wilde onder andere betrouwbare informatie verspreiden over Solidarność.[xii] In het najaar van 1981 verenigden verschillende Poolse vrouwen zich in de vereniging ‘Vrouwenrechten in Polen’. Zij vonden Merpol te sterk gedomineerd door mannen die vooral zichzelf graag hoorden praten en vrouwenrechten ondergeschikt achtten aan mensenrechten. Dit comité zag vrouwenemancipatie als een onlosmakelijk deel van de democratisering van Polen en probeerde de politieke discussie in Nederland daarover aan te wakkeren.[xiii] Ook sloten verschillende migranten zich aan bij de door Nederlanders gerunde Polencomités die in de vroege jaren tachtig als paddenstoelen uit de grond schoten.[xiv] Tijdens de staat van beleg ontstond in Nederland een informatiebureau van Solidarność, dat kon bestaan dankzij steun van de Nederlandse vakbonden.[xv]

931-9544

Het Solidarnosc Informatiebureau in Amsterdam. Beeld: NA, Marcel Antonisse, 2.24.01.05, Bestanddeelnummer 931-9142, licentie CC-BY-SA.

 

Deze groepen waren er vooral op gericht om de ontwikkelingen in Polen te ondersteunen, maar hun leden mengden zich ook in de Nederlandse debatten. Vooral tijdens de eerste maanden van de staat van beleg was de interesse in Polen plotseling enorm en de informatiestroom uit Polen klein. Daardoor wendden zich veel Nederlandse journalisten en organisaties tot Poolse migranten en werden velen van hen gretig geïnterviewd in de media.[xvi]

Ideale commentatoren

De gebeurtenissen in Polen brachten enkelen van hen een zekere prominentie. Zo was er Jan Minkiewicz, zoon van Poolse oorlogsmigranten, en actief in zowel Merpol als het Solidarność-informatiebureau. Hij was in Nederland opgegroeid en had in de jaren zeventig veel tussen Polen en Nederland heen en weer gereisd. Doordat hij beide landen en talen goed kende, was hij een ideale commentator voor Nederlandse media. Volgens zijn eigen tellingen was hij alleen al in de tweede helft van 1982 circa veertig keer op radio en televisie te horen en te zien.[xvii]

Ook voor de in 1976 naar Nederland gevluchte Sasza Malko luidden de vroege jaren tachtig een drukke periode in. Als journalist besloot hij zijn collega’s te informeren door Poolse documenten naar het Nederlands te vertalen.[xviii] Ook schreef hij zelf artikelen in Vrij Nederland en NRC Handelsblad waarin hij de terughoudende reactie van verschillende Nederlandse organisaties op de gebeurtenissen in Polen bekritiseerde.[xix] Daarnaast probeerde hij meer begrip te kweken voor de vervreemding van migranten in een nieuw land en pleitte hij hartstochtelijk voor meer aandacht voor Oost-Europa op Nederlandse scholen en in de media.[xx]

Minkiewicz en Malko maakten deel uit van een reservoir aan hoog opgeleide Poolse migranten, die zich graag in de media meldden. Zo was er ook sinoloog Michał Korzec, die in de jaren vijftig met zijn ouders naar het Westen was gevlucht. In de jaren zeventig en tachtig publiceerde hij verschillende analyses over Polen en wist hij in de PvdA een debat over Polen los te maken.[xxi] Politicoloog Jan Zielonka die in 1982 naar Nederland kwam, publiceerde kort na aankomst een boek over de Poolse ontwikkelingen en meldde zich ook in de jaren erna in de Nederlandse pers.[xxii] Yoram Krozer vluchtte in 1968 uit Polen en was in Nederland actief in linkse kringen, waar hij onder andere over Polen schreef en sprak.[xxiii] In linkse media als de Groene Amsterdammer en de communistische krant De Waarheid, die op de hand van Solidarność was, schreven geregeld journalisten van Poolse komaf over de situatie in Polen.[xxiv]

Hadden al deze bijdragen aan het Nederlandse debat ook enig effect? Krozer is achteraf sceptisch over het constante ‘lawaai’ van Poolse migranten en ‘kletsclubs’ als Merpol en de Polencomité’s. Discussies in Nederland hielpen de activisten in Polen volgens hem geen steek verder: ‘Er waren veel mensen die schreven. Ik schreef zelf ook regelmatig. Maar (…) dat is mijn persoonlijke mening: die verhalen hielpen bar weinig.’[xxv]

Bruggenbouwers

Zit er een kern van waarheid in Krozers pessimistische oordeel? Inderdaad hielp ‘geklets’ in West-Europa de ondergrondse vakbondsactivisten in Polen niet aan drukinkt of papier. Er valt echter wel wat voor te zeggen dat de media-optredens van de Poolse migranten in Nederland hebben bijgedragen aan het vergroten van wederzijdse begrip tussen Oost en West.

Deze Poolse migranten stuitten op grote verschillen tussen de Poolse oppositie en de Nederlandse politieke, academische en journalistieke milieus waar zij in terecht waren gekomen. In Nederland domineerde in de vroege jaren tachtig het onderwerp ontwapening de politieke debatten. Dit uitte zich het duidelijkst in de twee massale antikernwapendemonstraties in 1981 en 1983, waarbij honderdduizenden de straat op gingen tegen de plaatsing van nieuwe Amerikaanse kernwapens in Nederland.

Het debat in de Poolse oppositie verliep heel anders. Daar zagen velen de obsessie met Westerse kernwapens in Nederland en andere landen als een teken dat veel mensen in het Westen de dreiging uit Moskou schromelijk onderschatten. De onderwerpen ‘vrede en ontwapening’ waren verdacht omdat deze in Oost-Europa veelvuldig in de propaganda figureerden en in West-Europa een voorwendsel leken om zich minder kritisch ten opzichte van de Oost-Europese regimes op te stellen.[xxvi] Doordat er in de vroege jaren tachtig nog vrijwel geen contact tussen de Westerse vredesbeweging en de Poolse oppositie bestond, konden wederzijdse vooroordelen welig tieren. Terwijl veel Poolse activisten veronderstelden dat de Westerse vredesbeweging door Moskou gestuurd werd, zagen veel vredesactivisten de Poolse strijd juist als een de facto verlenging van hun eigen strijd tegen kernwapens.[xxvii]

Door hun positie tussen twee werelden in, waren Poolse migranten in een goede uitgangspositie om te bemiddelen. Minkiewicz zag bijvoorbeeld de Nederlandse vredesactivisten niet als lakeien van Moskou, maar als geëngageerde jonge mensen die met wat ‘missionariswerk’ in de juiste richting geleid konden worden. Hij wist verschillende contactpersonen in de Poolse oppositie daarvan te overtuigen en ontwikkelde zich in de late jaren tachtig tot officiële bemiddelaar tussen de Westerse vredesbeweging en de Poolse oppositiegroep ‘Vrijheid en vrede’.[xxviii]

Naast Minkiewicz meldden zich ook Malko, Korzec, Zielonka en anderen in de discussies. Daarbij profiteerden zij ervan dat ze als student of onderzoeker in de jaren zeventig en tachtig goed het linkse studentenmilieu hadden leren kennen.[xxix] Hun interventies hadden in sommige gevallen wel degelijk effect. Met polemiserende artikelen wist Malko discussies op te roepen in de vredesbeweging en zette Korzec de PvdA aan tot actie. Toen in 1985 voor het eerst de voorman van de Nederlandse vredesbeweging Mient Jan Faber naar Polen reisde om Solidarność-activisten te ontmoeten, stuurde Minkiewicz een briefje vooruit waarin hij liet weten dat de twee afgevaardigden ‘in orde’ waren en dus niet voor ‘trouwe dienaren’ van Moskou gehouden moesten worden.[xxx]

Misschien dat de ‘kletsclubs’ op de lange termijn toch effect hadden, geeft ook Krozer achteraf toe.[xxxi] Inderdaad droeg de discussie bij aan wederzijds begrip, maar alleen voor wie bereid was te luisteren, zo herinnert zich Malko: ‘De geest was soms dicht’.[xxxii]

——————-

Dit artikel verscheen in Donau. Tijdschrift over Midden- en Oost-Europa (2015) nr. 2.

De grote aanwezigheid van Poolse emigranten in Nederlandse media was opvallend. In buurland West-Duitsland, waar een beduidend grotere Poolse emigrantengemeenschap bestond, meldden Polen zich bijvoorbeeld minder in de media. Dit kwam gedeeltelijk doordat in Nederland verschillende goed Nederlands of Engels sprekende hoogopgeleide emigranten waren, die via de universiteit de Nederlandse samenleving goed hadden leren kennen. Belangrijker was vermoedelijk echter dat Nederland nauwelijks eigen Polenexperts had. In West-Duitsland zorgde de moeilijke Duits-Poolse geschiedenis van oorlog en verdrijving ervoor dat de interesse in Polen constant was en er, zeker onder de Vertriebenen, veel Duitse Polenexperts te vinden waren. In Nederland was de interesse in Polen veel geringer. Zodra het land wél de krantenkoppen haalde, zoals in de jaren tachtig, was de expertise van emigranten plotseling veelgevraagd. In de Bondsrepubliek zorgden de nauwere banden met Polen er ondertussen voor dat men liever een analyse van een prominente Duitse expert of van een contactpersoon direct uit Polen zelf afdrukte, dan van een onbekende Poolse migrant.[xxxiii]

[i] Dit artikel is losjes gebaseerd op het artikel ‘Samą walkę musicie toczyć w Polsce’, dat zal verschijnen in een uitgave van Institut Pamięci Narodowej.
[ii] Hanneke Verbeek, ‘“Wij zullen niet toestaan dat onze taal wordt begraven” Polen in Limburg’, in: Wim Willems, Hanneke Verbeek, Honderd jaar heimwee. Honderd jaar Polen in Nederland (Amersfoort 2012) 22-47, aldaar 27-30.
[iii] Tycho Wallaardt, ‘Het paard van Troje. Het verlenen van asiel door Nederland in de periode 1945-1955’, Tijdschrift voor sociale en economische Geschiedenis 6 (2009) nr. 2, 63-93, aldaar 76-77. Corrie Berghuis, Geheel ontdaan van onbaatzuchtigheid. Het Nederlandse toelatingsbeleid voor vluchtelingen en displaced persons van 1945 tot 1956 (Amsterdam 1999) 43-48, 86-89, 170.
[iv] Wallaardt, ‘Het paard van Troje’ (2009) 75-76. Berghuis, Geheel ontdaan van onbaatzuchtigheid (1999) 139, 157-161, 171-172.
[v] Jan Willem ten Doesschate, Asielbeleid en Belangen. Het Nederlandse toelatingsbeleid ten aanzien van vluchtelingen in de jaren 1968-1982 (Hilversum 1993) 128-132. “Honderd Polen naar ons land zet geen zoden aan de dijk”, De Telegraaf 2-2-1982. Handelingen Tweede Kamer 1981-1982 10 februari 1982.
[vi] Dariusz Stola, Kraj bez wyjścia. Migracje z Polski 1949-1989 (Warschau 2010) 352-355, 357. Bijv. ‘Kapitein hield passen in’, Het Vrije Volk, 22-11-1984. ‘Poolse toeristen willen hier blijven’, Het Vrije Volk, 29-12-1983. ‘Poolse toeristen duiken onder in Amsterdam’, Nieuwsblad van het Noorden, 22-4-1983.
[vii] Bijv. ‘Twee minderjarige Poolse vluchtelingen moeten terug’, Leeuwarder Courant, 23-3-1988, 1.
[viii] Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking maart 1985 (Den Haag 1985) 32. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking september 1986 (Den Haag 1986) 34. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking oktober 1987 (Den Haag 1987) 28. ‘Resident aliens’, Netherlands official statistics 2 (1987) 2, 37-38. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking april 1988 (Den Haag 1988) 6. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking april 1989 (Den Haag 1985) 4. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking juni 1989 (Den Haag 1989) 5. Centraal bureau voor de statistiek, CBS maandstatistiek van de bevolking februari 1990 (Den Haag 1985) 8.
[ix] MSZ 18/89 II, HOL 22-1-86: Polski-holenderskie stosunki dwustronne. Ewa van den Bergen-Makala, Nederland-Polen. Op de weg van solidariteit (Den Haag 2001) 13-14, 28.
[x] Wallaardt, ‘Het paard van Troje’ (2009) 63-65, 82-83. Berghuis, Geheel ontdaan van onbaatzuchtigheid (1999) 34-37, 95-97, 132-133, 143-146, 168, 212-215.
[xi] Sasza Malko, ‘Bevestiging van dingen’, Ruslandbulletin (1980) nr. 4, 21-25. Zie ook: Sasza Malko, ‘Het geluk van de balling’, Trouw, 23-09-2006.
[xii] IISG, Solidarność Nederland 27: Krzysztof R. Apt, Rotterdam, 18 wrzesnia 1981, Sprawozdanie z dotychczasowej dzialalnosci fundacji „merpol”.
[xiii] Interview Elżbieta Barłowska, 23-3-2015, Den Haag. Elsbeth Etty, ‘De seksuele moraal is bedroevend’, De Waarheid 25-1-1982, 5.
[xiv] Zie o.a. IISG, Solidarność Nederland 28: Reinier de Lang, Notulen Polenavond, 22-1-’82.
[xv] Jan Minkiewicz, ‘Stan wojenny a Holandia’, http://polonia.nl/?p=6957 (gepubliceerd 14-12-2011).
[xvi] Zie o.a. ‘De strijd gaat ondergronds door’, Rode Morgen 10-2-1982, 14-16. Ad Vaessen, ‘Er is voor de Polen een nieuwe wereld opengegaan’, Hervormd Nederland 2-1-1982. ‘Actieleidster Ewa Glapinska: Polen te redden met soort Marshall-plan’, Provinciale Zeeuwse Courant, 20-1-1982.
[xvii] IISG, FNV Commissiearchief 1983, 90: Jan Minkiewicz, aan de Beleidsgroep Int. Zaken van de FNV, Amsterdam 7.01.1983.
[xviii] Interview Sasza Malko, 21-9-2011 en 26-1-2012, Amsterdam. Zie bijv. Dirk Dragstra, Martin van den Heuvel, Sasza Malko ed., De Poolse weg naar Solidarność, in documenten (Boskoop 1981).
[xix] Zie bijv. Sasza Malko, ‘Poolse revolutie bracht waardigheid voor burgers’, NRC Handelsblad 20-7-1981, 7. Sasza Malko, ‘Nederland staat te vrijblijvend tegenover Polen’, NRC Handelsblad 27-10-1980, 7. Sasza Malko, ‘Waar blijft PvdA als het gaat om Solidariteit’, NRC Handelsblad 27-2-1981. Sasza Malko, ‘God, het vaderland, of de traditionele rodebietensoep: de Poolse kerk heeft voor elk wat wils’, Vrij Nederland 21-2-1981. Sasza Malko, ‘In Polen groeit de “parallelle” maatschappij door’, NRC Handelsblad 6-6-1986.
[xx] Zie bijv. IISG, Solidarność in Nederland 219: Sasza Malko, ‘Polen in Nederland. Dromen van Terugkeer’, Haagse Post. Sasza Malko, ‘Je moet kwaadaardig of zwakzinnig zijn als je in Nederland communist bent, je wordt er niet eens toe gedwongen,’ Vrij Nederland 18-9-1982, 13, 15. Sasza Malko,‘Hallo, dit is de petrochemische fabriek in Plock. We zijn omsingeld’, Vrij Nederland 2-9-1988, 7. Sasza Malko, Kirill Gradov, ‘West weet te weinig van Oost’, de Volkskrant 29-10-1983. Sasza Malko, ‘Belangstelling voor Sovjet-Unie moet gestimuleerd’, NRC Handelsblad 10-5-1986.
[xxi] Zie bijv. IPN BU 0204/1417/6, s. 65-66: Notatka dot. ob. Holandii – Michela Korzec. Michel Korzec, ‘Het einde van het democratisch socialisme in Oost-Europa’, in: Jan Bank, Martin Ros, Bart Tromp ed., Het eerste jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1979) 228-240. Michel Korzec, ‘De ‘socialistische’ arbeidersklasse in Polen’, Internationale Spectator 28 (1974) nr. 14, 457-466. Christie Miedema, Vrede of Vrijheid? Dilemma’s, dialoog en misverstanden tussen Nederlandse en West-Duitse linkse organisatie en de Poolse oppositie in de jaren tachtig (Amsterdam 2015) 295-303, 324-327.
[xxii] Interview Jan Zielonka 10-6-2011, Amsterdam. Jan Zielonka, Pools Experiment. Een visie op de gebeurtenissen van 80-82 (Leeuwarden 1982). Zie ook bijv. Jan Zielonka, ‘Sociale vrede in Polen kan niet zonder sociaal akkoord’, NRC Handelsblad 1-9-1983.
[xxiii] Interview Yoram Krozer, 9-3-2015, Amsterdam. Zie ook bijv. IISG, Solidarność Nederland 28: Polendag, zaterdag 8 mei 1982, Amsterdam. IISG, Solidarność Nederland 28, Joram Krozer, Verslag van de Landelijke Vergadering van Initiatiefgroepen Polen op 15-3-1982.
[xxiv] Zie bijv. Jan Minkiewicz, ‘Solidarność na vijf jaar nog steeds spreekbuis’, De Waarheid 2-9-1985. Jan Minkiewicz, ‘Doorgaan met solidariteit Oost-Europese oppositie’, De Waarheid 26-10-1985. Jan Machajski, ‘Aanklacht eerbewijs aan KOR’, De Waarheid 31-1-1984, 6. Jan Machajski, ‘Militairen, technocraten en de ‘mensen met de houten kop’’, De Waarheid 28-1-1984. Jan Machajski, ‘Lech Walesa weet ook wanneer hij geen verantwoordelijkheid moet nemen’, De Waarheid 28-11-1987. Jerzy Wola, ‘In Polen vertrouwt niemand een ander meer volkomen’, De Groene Amsterdammer 15-7-1981, 12-13. Jerzy Wola, ‘Vakbond of volksbeweging?’, De Groene Amsterdammer 15-7-1981, 14.
[xxv] Interview Krozer, 9-3-2015.
[xxvi] Idesbald Goddeeris, Małgorzata Świder, ‘Peace or Solidarity? Poland, the Euromissile Crisis, and the 1980s Peace Movement’, in: Frédéric Bozo, Marie-Pierre Rey, Bernd Rother ed., The Euromissiles Crisis and the End of the Cold War (Stanford 2015) 291-309.
[xxvii] Miedema, Vrede of vrijheid? (2015) 152-153.
[xxviii] Interview Minkiewicz, 15-6-2010, 30-6-2010 en 6-1-2012. Archiwum KK, Biuro Koordynacyjne Brukseli 740.000: Jan Minkiewicz, Ruchy pokojowe na zachodzie: ich charakter i znaczenie, Bruksela 8.06.1984.
[xxix] Zie ook Christie Miedema, ‘Iedereen heeft het eigenlijk altijd over links tegen rechts. Solidarność in Nederland’, in: Wim Willems, Hanneke Verbeek ed., Honderd jaar heimwee. De geschiedenis van Polen in Nederland (Amersfoort 2012) 163-185.
[xxx] Miedema, Vrede of vrijheid? (2015) 199-207, 324-333, 439-446. Archiwum KK, Korespondencja LW 197-44: J.M., Chciałbym poinformować L.W.
[xxxi] Interview Krozer, 9-3-2015.
[xxxii] Interview Malko, 21-9-2011.
[xxxiii] Miedema, Vrede of vrijheid? (2015) 527-528.

De effectiviteit van een woord: openlijke solidariteit of stille diplomatie?

‘Ik heb één tip voor Amnesty,’ stelde de voormalige Wit-Russische presidentskandidaat Andrei Sannikov vorig jaar voor een volle zaal in Amsterdam: ‘maak jullie groetenkaarten lichter’. Sannikov moest in 2010 zijn kandidaatstelling voor de presidentsverkiezingen in Wit-Rusland met gevangenisstraf bekopen. In die tijd kreeg hij kaarten uit de hele wereld die hem en zijn medegevangenen hoop gaven. Zijn grote angst was dat hij ze bij één van zijn overplaatsingen achter moest laten. Vandaar zijn oproep de waardevolle kaarten lichter te maken.

Openlijke solidariteit of stille diplomatie?

Sannikov was dankbaar voor de solidariteit die hij had genoten. Maar in de internationale politiek staat solidariteit met verdrukten vaak op gespannen voet met economische of veiligheidsbelangen. Veel politici zweren bij stille diplomatie en hanteren daarvoor graag het argument van de effectiviteit. Regeringen zouden bij druk achter de schermen eerder bereid zijn tot concessies, terwijl zij door openlijke aanvallen juist in hun posities zouden verharden.

Omwille van de eigen veiligheid waren in de jaren van de Koude Oorlog veel Westerse politici bijvoorbeeld uiterst voorzichtig ten opzichte van landen in Oost-Europa. Ook daarbij werd het argument van de effectiviteit van stal gehaald: terwijl achter de schermen veel te bereiken zou zijn, zou openlijke solidariteit de Oost-Europese dissidenten alleen maar blootstellen aan verdere repressie. De West-Duitse SPD ging bijzonder ver in deze redenering. Toen in december 1981 in Polen duizenden opposanten in interneringskampen werden opgesloten, veroordeelden de SPD-leiders de luide solidariteitsbetuigingen met de oppositie van andere Westerse politici. Volgens hen waren de ‘grote woorden’ slechts retoriek voor de bühne, die de oppositie weinig hielp.

In de mensenrechtenbeweging, waar openlijke solidariteit een grotere rol speelt, is het argument van effectiviteit minder aanwezig. Al in haar eerste jaarverslag in de jaren zestig stelde Amnesty International: ‘Er zijn geen concrete of tastbare manieren waarop Amnesty succes kan claimen. Als een gevangene wordt vrijgelaten of een algemene amnestie wordt afgekondigd na enige publiciteit over de omstandigheden in een land, kunnen we alleen de samenloop van omstandigheden opmerken.’ Dat betekent niet dat een mensenrechtenbeweging als Amnesty niet effectief is.

Hoewel effectiviteit natuurlijk een belangrijke overweging moet blijven bij het vaststellen van mensenrechtenbeleid, moet daarbij de effectiviteit van een woord van steun niet worden vergeten. Een demonstratie, het sturen van een kaartje of een tweet kunnen een uiting van machteloosheid lijken, maar ze sturen wel een belangrijke boodschap de wereld in: dat de mensenrechtenschending niet vergeten is.

Het belang van een woord

Veel Poolse activisten in de jaren tachtig gingen dan ook niet mee in de redenering van de SPD dat woorden van solidariteit leeg en nutteloos waren. In een discussie met SPD’ers stelde de Poolse onafhankelijke journalist Maciej Kozlowski eind jaren tachtig: ‘Ik zou niet zeggen dat woorden niets zijn. Woorden waren belangrijk voor de mensen die in de gevangenis zaten, die ondergedoken zaten, die streden; voor hen waren woorden van morele steun erg belangrijk. Als je elke dag hoort dat je het fout hebt, is het soms fijn om te horen dat je het bij het rechte eind hebt en dat helpt je op het juiste pad te blijven.’ Ook de dissident Adam Michnik stelde achteraf over de voorzichtige reactie van toenmalig SPD-kanselier Helmut Schmidt: ‘Niemand verwachtte dat hij de Bundeswehr zou sturen, maar een woord had hij toch kunnen sturen.’

Openlijke solidariteit heeft ook nu nog zijn uitwerking. Toen Ales Bialiatski, de voorzitter van een Wit-Russische mensenrechtenorganisatie, vast zat, bood Amnesty Nederland de Wit-Russische ambassade ter ere van zijn verjaardag een verjaardagstaart aan. De taart kwam de ambassade niet in, maar de actie kwam wel aan in Bialiatski’s cel.

—————————

Dit artikel verscheen op 26 november 2015 in de Foundation Max van der Stoel nieuwsbrief

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Actiemateriaal van Amnesty International voor Ales Bialiatski. Beeld: C. Miedema 2014.

.

Civil society onder druk in de OVSE-regio

CAM00354

Beeld: C. Miedema, Warschau 2015.

Vorige maand vond in Warschau de jaarlijkse Human Dimension Implemention Meeting van de OVSE plaats. Hier komen delegaties van OVSE-landen samen om te praten over onderwerpen als fundamentele vrijheden, tolerantie en juridische en democratische randvoorwaarden voor het respecteren van mensenrechten. Dat verklaart dat de gangen bevolkt worden door NGO’s en andere maatschappelijke vertegenwoordigers die bij de officiële delegaties hun verhaal kwijt willen. De side-events van deze conferentie zijn elk jaar weer een indrukwekkend overzicht van wat er in de OVSE-regio gebeurt op het gebied van mensenrechten.

Repressie in Azerbeidzjan

Vorig jaar, in 2014, hield de Azerbeidzjaanse journaliste Khadija Ismailova een vlammend betoog voor mensenrechten in haar land. Ze vertelde over de gevangen mensenrechtenactiviste Leyla Yunus, die dezelfde dag nog in de gevangenis was geslagen. Ze noemde ook de repressie waar ze zelf aan onderhevig was en raakte in aanvaring met een vertegenwoordigster van de Azerbeidzjaanse regering, die ook in de zaal zat. Haar indrukwekkende relaas eindigde ze met de woorden dat het ook een kwestie van dagen kon zijn voordat ook zij gevangen gezet zou worden.

Dit jaar waren er opnieuw meerdere sessies gewijd aan mensenrechtsverdedigers in de OVSE-regio. Sasha Koulaeva van de mensenrechtenorganisatie FIDH verontschuldigde zich dat bij haar sessie geen Azerbeidjaanse activist aanwezig was. Alle activisten die zij en anderen de afgelopen jaren hadden laten overkomen naar de conferentie om over hun land te vertellen, zitten inmiddels vast. Ze blikte terug op de woorden van Ismailova vorig jaar, die toen één van de laatste activisten nog op vrije voeten was geweest. Slechts op één punt had Ismailova het mis gehad, stelde Koulaeva: het waren geen dagen geweest die haar nog in vrijheid restten, maar twee maanden. In de loop van dit jaar werden Leyla Yunus en haar man veroordeeld tot respectievelijk 8,5 en 7 jaar gevangenis. Ismailova moet voor 7,5 jaar achter de tralies. Zij zijn niet de enigen.

Groundhog Day in Wit-Rusland

Een iets positievere noot kwam van Ales Bialiatski, de Wit-Russische mensenrechtenactivist die vorig jaar furore maakte op de conferentie, nadat hij 3 maanden eerder onverwacht vrijgekomen. Dit jaar deed Wit-Russische president Alyaksandr Loekasjenka in aanloop naar de verkiezingen er nog een schepje bovenop door alle politieke gevangenen in zijn land vrij te laten, waaronder voormalig presidentskandidaat Mikalai Statkevich. Statkevich maakte dit jaar een zegetocht op de conferentie. Bialiatski was er ook en was bescheidener. Hoewel Koulaeva hem aankondigde als iemand met een positiever verhaal, bleef hij sceptisch. Natuurlijk was hij dolgelukkig met de recente vrijlatingen, maar volgens hem had Wit-Rusland vooral te maken met een Groundhog Day-effect: een onophoudelijke cyclus van arrestaties en vrijlatingen. Vandaag zijn we allemaal vrij, maar morgen kunnen we direct weer gevangen gezet worden. Ondertussen lijken de vrijlatingen vooral een briljante zet van Loekasjenka. Terwijl alle aandacht naar Azerbeidzjan, Oekraïne en Rusland gaat, heeft hij op 11 oktober vrijwel zonder enig protest opnieuw zijn herverkiezing verzekert en haalt hij de banden met Europa aan. Zo betekent het einde van politieke gevangenschap nog niet het einde van een dictatuur.

————–

Dit artikel verscheen op 29 oktober 2015 in de nieuwsbrief van de Foundation Max van der Stoel.

Kerncentrales, windmolens en kolen. Hoe zat het ook alweer met de Duitse Energiewende?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Deze week lanceerde Climate Action Network Europe een prachtige interactieve kaart over steenkool: de coalmap. Doel van de website is om bloot te leggen hoe zeer ons continent nog van energie op basis van kolen afhankelijk is en welke klimaat- en gezondheidsproblemen dat veroorzaakt. Bij het openen van de kaart valt één ding op: Duitsland springt er direct uit als grootste boosdoener. Dat is verwarrend: was onze oosterbuur niet het land waar dankzij de Energiewende duurzame energie booming is? Of is het toch niet zo gek dat Duitsland, als één van de grootste energieverbruikers van Europa, die bovendien op grote snelheid de afhankelijkheid van kernenergie afbouwt, nog een groot aantal kolen verstookt?

Hoe zat het ook alweer met die Energiewende? In 2011 besloot de Duitse Bondskanselier Angela Merkel om het gebruik kernenergie af te gaan bouwen. Aan die beslissing ging veel vooraf. Op de zeer informatieve website EnergyTransition.de, die onderhouden wordt door de politieke stichting van de Duitse groene partij, traceren ze de ontwikkelingen terug tot de anti-atoombeweging van de jaren zeventig, de oliecrisis en de Tsjernobylramp van 1986. Natuurlijk gaat het verhaal in feite zo ver terug, maar je kunt ook dichterbij beginnen: in 2000 toen de regering van sociaaldemocraten en groenen onder kanselier Gerhard Schröder besloot geleidelijk te stoppen met kernenergie. Tegelijkertijd investeerde de regering sterk in hernieuwbare energie en het terugdringen van het stroomgebruik. In het Erneuerbare Energien Gesetz (EEG) kreeg hernieuwbare energie voorrang binnen het energienetwerk en werd het financieel sterk gestimuleerd. Dit maakte Duitsland in deze jaren een voorbeeld binnen Europa.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Greenpeace-actie tegen kernenergie na Merkels eerste ommekeer in het energiebeleid. Beeld: C. Miedema, 2010.

De eerste regering onder christendemocrate Merkel zette dit beleid nog voort, maar toen zij in haar tweede regering een coalitie met de liberalen aanging, kondigde zij in 2010 aan de looptijd van de Duitse kerncentrales toch te verlengen. De Atomausstieg was van de baan. Vervolgens raasde in maart 2011 een tsunami over een Japanse kerncentrale in Fukushima en werd het sluimerende anti-atoomsentiment in de Duitse bevolking wakker. Overhaast, in vergelijking met het besluit van haar voorgangers, besloot Merkel alsnog met kernenergie te stoppen. De oudste centrales werden direct stopgezet en de overige moeten in de komende tien jaar overbodig worden. Daarvoor is onder andere duurzame energie nodig. Die is inmiddels zo succesvol dat zij steeds meer kerncentrales kan compenseren. Inmiddels draait Duitsland voor meer dan 25% op duurzame energie en op sommige zonnige dagen zelfs helemaal.

In dezelfde jaren ging het energiebeleid in Nederland de andere kant op, zo concludeerde het Duitse tijdschrift Der Spiegel. Juist het onder de zeespiegel liggende Nederland moest toch bewust zijn van de gevolgen van klimaatverandering, zo opperde het tijdschrift verbaasd. Het Duitse energiebedrijf RWE kon in Eemshaven echter een grote kolencentrale bouwen, waarvan deze week na lang touwtrekken de Raad van State de natuurvergunning goedkeurde.

De Energiewende verloopt in Duitsland eveneens niet zonder horten of stoten: de stroomprijs voor de consument is sterk gestegen en veel Duitsers protesteren tegen de nieuwe stroommasten die moeten worden aangelegd om de in het noorden opgewekte duurzame energie naar het zuiden te brengen. Het levert daarnaast harde tijden op voor de Duitse energiebedrijven, die onder andere hoge kosten moeten maken voor het afbreken van de nu nutteloos geworden kerncentrales.

Bovendien zijn ook in Duitsland de kolen bovendien nog niet aan banden gelegd. Lange tijd leken kolen nodig om het afbouwen van kernenergie te compenseren. Een voorstel van de sociaaldemocraten, die inmiddels weer in de regering van Merkel zitten, om oude kolencentrales te beboeten is sinds begin deze zomer weer van tafel, onder druk van Merkels partij. Zo was deze zomer de bruinkoolmijn van Garzweiler, ook van RWE, het toneel van een massale bezetting door activisten. Verandering is misschien mogelijk sinds vorige week een studie verscheen die stelde dat Duitsland ook al tijdens de afbouw van kernenergie zonder kolen kan. Alleen gas zou voorlopig nodig blijven voor de energievoorziening. Het eerder gesloten compromis laat zien dat het tijdperk van de steenkool echter nog niet voorbij is, ook niet in Duitsland.

——————————–

Deze blog verscheen op 13 september 2015 op Greenwire.

Kopafbeelding: sticker op een terrasverwarmer in Berlijn. Beeld: C. Miedema, 2009.